BINNEN IN DE RUIMTESCHEPEN – Hoofdstuk 1 – De Terugkeer van de Venusiaan

Hoofdstuk 1

De Terugkeer van de Venusiaan

Los Angeles is een stad van veel licht en lawaai, van haast en rusteloosheid, in schril contrast met het stille licht van de sterren en de rust van mijn huis in de bergen. It was February 18, 1953. Ik was niet naar de stad gekomen voor opwinding, maar omdat ik daar naar toe werd getrokken door de soort hardnekkige indruk die in Vliegende Schotels Zijn Geland is beschreven.

Tijdens de vele jaren dat ik Los Angeles bezocht, heb ik er een gewoonte van gemaakt om te boeken in een bepaald hotel in de binnenstad. Nadat de piccolo mijn koffer naar de kamer had gebracht, zijn fooi gekregen had en vertrok, stond ik onzeker in het midden van de kamer. Het was pas vier uur in de namiddag en omdat ik letterlijk niet wist wat mij hier naar toe had gebracht, voelde ik me nogal verloren. Ik liep naar het raam en stond naar de drukke straat te staren. Daar was zeker geen inspiratie voor mij te vinden.

In een plotselinge beslissing ging ik naar beneden, liep door de lobby naar de cocktail bar. De bediende kende me en hoewel hij van nature wat terughoudend was, was hij, nadat hij met me gesproken had en mijn foto’s van de Schotels had gezien, erg geïnteresseerd. Hij begroette me hartelijk. Nadat we wat hadden gekletst, zei hij dat er een aantal mensen geïnteresseerd waren geraakt in zijn berichten over Schotels en hem gevraagd hadden om hen te bellen als ik zou komen.

Hij wachtte op mijn reactie en ik wist nauwelijks wat ik moest zeggen.
Op dat moment tenminste had ik geen plannen. Ofschoon ik niet echt zin had om een informele lezing te geven aan een groep vreemden, leek het me daarentegen een goede manier om de tijd door te komen wachtende op . . . Nou ja, waar ik dan ook op wachtte!

Ik stemde er mee in en in een korte tijd was er een hele verzameling van mannen en vrouwen samengesteld.
Hun interesse leek oprecht en ik beantwoordde hun vragen naar mijn beste kunnen.

Het was bijna zeven uur toen ik mezelf verontschuldigde en liep een kort stukje de straat om te dineren. Ik koos ervoor om alleen te zijn, met enkel het aanhoudende gevoel van “er gaat iets gebeuren” voor gezel schap.

Na op een beetje halfslachtige manier gegeten te hebben, ging ik terug naar het hotel. Er was niemand in de lobby die ik kende en de bar trok me verder niet aan.

Plotseling herinnerde ik me mevr. M -, een jonge vrouwelijke student van mij die in het centrum woonde. Ze kon een tijdje niet naar onze woonplaats in de bergen komen en had me gevraagd om haar te bellen als ik de volgende keer kwam. Ik ging naar een telefooncel en belde haar nummer. Ze leek verheugd om van me te horen. Omdat ze geen auto had, legde ze me uit dat het een uurtje of zo zou kunnen duren voordat ze met de tram kon arriveren.

Om te voorkomen iemand te ontmoeten die mij zou herkennen, kocht ik een avondkrant en nam die mee naar mijn kamer. Nadat ik had gelezen wat mij interesseerde, dwong ik mezelf door onderwerpen heen te worstelen die ik normaal gesproken zou hebben overgeslagen. Dit in een poging om de rusteloosheid tot kalmte te brengen die nu mijn hele bewustzijn doordrong.

Voordat het uur voorbij was, ging ik naar de lobby om te wachten op mevr. M – en ongeveer vijftien minuten later arriveerde ze. We hadden al geruime tijd gepraat en ik was erin geslaagd haar wat te ontspannen met betrekking tot een aantal problemen, die zich in haar gedachten hadden genesteld en buitengewone proporties hadden aangenomen. Haar dankbaarheid was ontroerend en ze vertelde me dat ze voortdurend de gedachte en hoop had vastgehouden dat ik naar de stad zou komen en haar zou helpen.

Terwijl ik met haar naar de hoek liep waar ze de tram zou nemen, vroeg ik me af of de drang die mij in de bergen had bereikt, mogelijk haar telepathische boodschap zou kunnen zijn geweest die doorkwam. Maar toen ik weer op rust was in de lobby van het hotel, wist ik dat dit niet de verklaring kon zijn. Dat gevoel er nog steeds – sterker dan ooit!

Ik keek op mijn polshorloge en zag dat het half elf was. Dit late uur, zonder dat er iets van buitengewone betekenis had plaats gevonden, stuurde een golf van teleurstelling door me heen. En net op dat moment van teleurstelling kwamen twee mannen naar me toe waarvan een me aansprak bij naam.

Beiden waren volledig vreemd voor mij, maar er was geen terughoudendheid in hun manier van optreden en niets in hun voorkomen duidde er op dat ze anders zouden zijn dan gewone jonge zakenmensen. Omdat ik in Los Angeles college had gegeven en optredens op radio en TV had verzorgd en ook door heel veel mensen uit die stad in mijn huis in Palomar Gardens ben bezocht, was zo’n benadering door vreemden geen ongewone belevenis.

Ik merkte op dat beide mannen er goed uitzagen. De ene was iets groter dan zes voet en zag er uit als vooraan in de dertig. Zijn uiterlijk was rossig, zijn ogen donkerbruin, met het soort twinkeling die een grote levensvreugde deed veronderstellen. Zijn blik was buitengewoon doordringend. Zijn zwarte haar golfde en werd geknipt volgens onze mode. Hij droeg een donkerbruin zakenpak maar geen hoed.

De kleinere man leek jonger en ik schatte zijn lengte in op ongeveer vijf voet en negen duim. Hij had een rond jongensachtig gezicht, een eerlijke uitdrukking en ogen van grijsachtig blauw. Zijn haar, ook golvend en gedragen volgens onze mode, was rossig van kleur. Hij was gekleed in een grijs pak en ook hij droeg geen hoed. Hij glimlachte toen hij mij met mijn naam aansprak.

Terwijl ik de groet bevestigde, stak de spreker zijn hand uit en toen deze aan de mijne raakte, vervulde me dat met een grote vreugde. Het signaal was hetzelfde als dat van de man die ik op die gedenkwaardige 20 november 1952 in de woestijn had ontmoet. (Beschreven in het boek Vliegende Schotels Zijn Geland.)

Dus wist ik dat deze mannen geen bewoners van de Aarde waren. Niettemin voelde ik me helemaal op mijn gemak toen we elkaar de handen schudden en de jongere man zei: “We waren van plan om je ontmoeten. Heb je tijd om met ons mee te komen?”

Zonder aarzelen, noch de geringste vrees, zei ik: ‘Ik geef mezelf volledig aan jullie over.’

Samen verlieten we de lobby en ik liep tussen hen in. Ongeveer een blok ten noorden van het hotel, draaiden ze een parkeerplaats op waar een auto stond te wachten. Tijdens deze korte tijd hadden ze niet gesproken, maar van binnen wist ik dat deze mannen echte vrienden waren. Ik voelde geen aandrang om te vragen waar ze me naar toe wilden brengen, noch leek het me vreemd dat ze uit zichzelf geen informatie hadden verstrekt.

Een begeleider bracht de auto, en de jongere man ging op de bestuurdersstoel zitten en gebaarde me naast hem te komen zitten. Onze andere metgezel zat ook bij ons op de voorbank. De auto was een vierdeurs zwarte Pontiac sedan.

De man aan het stuur leek precies te weten waar hij naar toe ging en reed vaardig. Ik ben niet bekend met alle nieuwe snelwegen die uit Los Angeles leidden, dus had ik geen idee in welke richting we gingen. ]We reden in stilte en ik bleef volledig op mijn gemak wachten tot mijn metgezellen zichzelf zouden identificeren en de reden voor ons treffen verklaren.

Ik besef dat zo’n houding van vertrouwen normaal gesproken onbezonnen zou lijken in het licht van de wetteloosheid die in onze wereld vandaag de dag hoogtij viert. Maar het was een gewoonte die door mensen van andere beschavingen gevolgd werd in aanwezigheid van mensen die erkend werden meer wijsheid te bezitten dan zij. Deze gewoonte is ook door de Amerikaanse Indianen beoefend om respect en nederigheid, geduld en vertrouwen te tonen. Ik begreep dit goed en gedroeg me ook zo, omdat ik in aanwezigheid van deze mensen een kracht voelde die me, in het gezelschap van wezens van enorme wijsheid en medeleven, als een kind deed voelen.

Naarmate we de buitenwijken van de stad verlieten, werden de lichten en woningen minder. De grotere man sprak voor het eerst toen hij zei: “U bent heel geduldig geweest. We weten heel goed hoe u zich afvraagt ​​van wie we zijn en waar we u naar toe brengen”.

Ik gaf  toe dat ik me dat natuurlijk afvroeg, maar voegde eraan toe dat ik me helemaal op m’n gemak voelde in afwachting van deze informatie totdat ze mij die wilden geven.

De spreker glimlachte en verduidelijkte de bestuurder: ”Hij is van de planeet die jullie Mars noemen. Ik kom van degene die jullie Saturnus noemen.”

Zijn stem was zacht en aangenaam en zijn Engels was perfect. Het was me opgevallen dat de jongere man ook zachtjes sprak, alhoewel zijn stem hoger van toon was. Ik vroeg me af hoe en waar ze onze taal zo goed hadden leren spreken.

Terwijl de gedachte door mijn hoofd ging, werd het me onmiddellijk duidelijk. De Martiaan sprak nu voor het eerst sinds onze ontmoeting in het hotel. ”We zijn wat jullie op aarde zouden noemen: “Contactpersonen.” Wij wonen en werken hier, want zoals u weet, is het op aarde noodzakelijk om geld te verdienen om kleding, voedsel en de vele dingen te kopen die mensen moeten hebben. We hebben nu al meerdere jaren op uw planeet gewoond.  In het begin hadden we een licht accent.  Maar dat is overwonnen en – zoals u kunt zien – worden we niet herkend als anders dan de mensen van de Aarde.

“Op ons werk en in onze vrije tijd begeven we ons tussen mensen hier op Aarde, maar verraden ​​nooit het geheim dat we inwoners van andere werelden zijn. Dat zou gevaarlijk zijn, zoals u het goed weet. Wij begrijpen jullie mensen beter dan de meesten van jullie zichzelf kennen en kunnen duidelijk de redenen zien van veel van de ongelukkige omstandigheden die jullie omringen.

“We zijn ons ervan bewust dat u zelf geconfronteerd bent met spot en kritiek als gevolg van uw doorzettingsvermogen in het verkondigen van de realiteit van menselijk leven op andere planeten, waarvan jullie wetenschappers beweren dat ze niet in staat zijn om leven te bevatten. Dus kunt u zich goed voorstellen wat er met ons zou gebeuren als we ook maar zouden laten doorschemeren dat ons thuis op andere planeten zou zijn! Als we de eenvoudige waarheid zouden uiten – dat we naar jullie Aarde zijn gekomen om te werken en te leren, net zoals sommigen van jullie gaan naar andere landen gaan om te wonen en te studeren – we zouden voor gek bestempeld worden.

“We mogen korte bezoeken afleggen aan onze thuisplaneten. Net zoals jullie verlangen naar een verandering van omgeving of het bezoeken van oude vrienden, doen wij dat ook. Het is natuurlijk noodzakelijk om een ​​dergelijke afwezigheid te regelen tijdens officiële feestdagen, of zelfs in een weekend, zodat we door onze medewerkers hier op aarde niet zullen worden gemist.” 

Ik heb niet gevraagd of mijn metgezellen waren getrouwd en gezinnen hadden hier op onze planeet, maar ik had de indruk dat dit niet het geval was. Een paar minuten lang werd de stilte niet doorbroken, terwijl ik nadacht over de informatie die ze me gegeven. Ik vroeg me af waarom ik was uitgekozen om hun vriendschap te ontvangen en deze kennis gegeven door mensen uit andere werelden. Op welke reden dan ook, ik voelde me heel nederig en dankbaar.

Terwijl ik over dit alles zat na te denken, zei de Saturniaan vriendelijk: “U bent noch de eerste noch de enige man op deze wereld met wie we hebben gesproken. Er zijn vele anderen die in verschillende delen van de Aarde wonen naar wie we zijn toegegaan. Sommigen die hebben durven spreken over hun ervaringen werden vervolgd – een paar zelfs tot wat jullie “de dood” noemen. Bijgevolg zijn velen blijven zwijgen. Maar als het boek, waaraan u nu werkt, het publiek bereikt, het verhaal van uw eerste contact buiten in de woestijn met onze Broeder van de planeet die jullie Venus noemen, zal anderen uit vele landen aanmoedigen om u te schrijven over hun ervaringen.” (Nadat het boek, Vliegende Schotels Zijn Geland, was gepubliceerd, werd de waarheid van deze voorspelling aangetoond)

Ik voelde niet alleen een sterk vertrouwen in deze nieuwe vrienden, maar een overweldigend gevoel dat we eigenlijk geen echte vreemden voor elkaar waren. Ik was er ook diep van overtuigd dat deze mannen alle vragen konden beantwoorden en alle problemen met betrekking tot onze wereld zouden kunnen oplossen; zelfs prestaties uit te voeren die voor de mensen op de Aarde onmogelijk zouden zijn, indien zij dit noodzakelijk zouden achten en in overeenstemming zou zijn met de missie die zij gekomen waren om uit te voeren.

Lange tijd reden we over vlakke snelwegen, misschien wel anderhalf uur. Ik had nog steeds geen idee in welke richting we uitgingen, behalve dat ik dacht dat we een woestijn landschap inreden. Het was te donker om de details van de omgeving waar te nemen. Mijn geest bleef doorgaand in beslag genomen in het opnieuw bekijken wat ze me hadden verteld en, zoals ik al eerder zei, was er maar weinig conversatie.

Ik werd ontnuchterd uit mijn overpeinzingen toen we plotseling de vlakke snelweg afreden in een ruwe, smalle, glooiende weg. De Martiaan zei: “We hebben een verrassing voor u!”

Op deze weg, waarover we ongeveer vijftien minuten reden, kwamen we geen auto’s tegen. Dan, met stijgende verbazing, zag ik in de verte een zacht-wit gloeiend voorwerp op de grond. We stopten binnen ongeveer vijftig voet ervandaan. Ik schatte in dat ongeveer vijftien tot twintig voet hoog zou zijn en ik herkende haar nauwe gelijkenis met de Schotel, of Verkenner, van mijn eerste ontmoeting bijna drie maanden eerder.

Toen we tot stilstand kwamen, merkte ik dat er een man naast het gloeiende vaartuig op de grond stond. Nadat we uit de auto waren gestapt riepen mijn metgezellen een groet uit. De man naast de Verkenner leek te werken aan iets dat met haar verbonden was. We liepen gedrieën naar hem toe en tot mijn grote vreugde, herkende ik mijn vriend van het eerste contact – the man van Venus!

Hij was gekleed in hetzelfde, op een skipak lijkend vliegpak, dat hij ook bij de eerste ontmoeting had gedragen, maar dit pak was lichtbruin van kleur met oranje strepen boven en onder de tailleband.

Zijn stralende glimlach maakte duidelijk dat hij mijn geluk deelde bij dit weerzien. Nadat  groeten waren uitgewisseld, zei hij: “Toen we landden is een onderdeeltje van dit kleine schip gebroken, dus heb ik, terwijl ik wachtte op jullie aankomst, een nieuw gemaakt.”

Ik keek nieuwsgierig toe terwijl hij de inhoud van een kleine smeltkroes op het zand leegmaakte. “De timing was perfect,” zei hij. “Toen jullie aankwamen maakte ik de montage af.”

Opeens viel me op dat hij Engels sprak met slechts een licht accent, terwijl hij bij onze eerste ontmoeting onze taal helemaal niet leek te kunnen spreken. Ik hoopte dat hij dit zou uitleggen, maar omdat hij dat niet deed, heb ik er van afgezien om te vragen.

In plaats daarvan, ik bukte me en raakte voorzichtig aan wat leek op een zeer kleine hoeveelheid gesmolten metaal dat hij had uitgeschud. Hoewel nog steeds vrij warm, het was niet te warm om te worden opgepakt en zorgvuldig wikkelde ik het in mijn zakdoek, die ik veilig opborg in een binnenzak van mijn jas. Ik heb nog steeds dit stukje metaal in mijn bezit.

Hoewel mijn metgezellen lachten om mijn capriolen, was er geen spoor van spot in hun plezier. De Venusiaan vroeg, hoewel hij het antwoord moet hebben geweten: “Waarom wil je dat hebben?”

Ik legde uit dat ik hoopte dat het bewijs zou leveren van de werkelijkheid van hun bezoek en vertelde hem dat mensen meestal verlangen zoals zij dat noemen “concrete bewijs” om aan te tonen dat ik het niet gewoon “allemaal verzonnen heb” toen ik sprak over mijn eerste ontmoeting met hem.

Nog steeds glimlachend, antwoordde hij: “Ja, en jullie zijn een ras van souvenierjagers, is het niet! Maar, u zult merken dat deze legering dezelfde metalen bevat die ook op jullie Aarde gevonden worden, omdat ze op alle planeten vrijwel hetzelfde zijn.”

Dit is, denk ik, een heel geschikt moment om tegen mijn lezers te zeggen dat er mij, van welke mensen dan ook die ik ontmoet heb uit andere werelden, geen namen werden gegeven zoals wij die kennen. De reden hiervoor werd me uitgelegd, maar kan hier niet voluit worden vrijgegeven. Het volstaat te zeggen dat hier geen mysterie bij betrokken is, maar een geheel ander concept van namen dan we gebruiken.

Hoewel deze geen-naam toestand in mijn eigenlijke ontmoetingen met deze nieuwe vrienden geen onhandigheid veroorzaakte, realiseer ik me dat het dit voor de lezer wel zal doen, vooral in het laatste deel van dit boek wanneer contacten zich uitbreiden. Daarom – en omdat we in deze wereld voor elkaar afhankelijk zijn van onze eigen soort namen –  zal ik hen van namen voorzien.

Terwijl ik het heel duidelijk wil maken dat de namen die ik voor deze nieuwe vrienden introduceer, niet hun juiste namen zijn, wil ik eraan toevoegen dat ik mijn eigen goede redenen heb om ze te kiezen en dat ze, ten opzichte van hen die ze door deze pagina’s heen dragen, niet zinloos zijn.

De Martiaan zal ik Firkon noemen. De Saturniaan is Ramu. Mijn naam voor de Venusiaan zal Orthon zijn.

Wordt vervolgd….